Financieel
Dagblad (Recht en belastingen) 19 april 2012
Soevereiniteit op
web bestaat niet
(oorpronkelijke titel: Soevereiniteit is op internet een anachronisme)
A.R.
Lodder
Een deel van de problemen waar opsporingsinstanties in onder andere de
Robert M.-zaak tegenaan lopen wordt veroorzaakt door een niet bij het internet
passende uitleg van territorialiteit. Deze
interpretatie moet op de schop, zeker in het licht van opkomende ‘cloud computing’. Informatie is
dan niet meer bij de verdachte thuis op zijn computer te vinden maar staat
ergens op het internet, waarbij lang niet altijd duidelijk is waar de hostende servers staan.
Het internet is intrinsiek grensoverschrijdend. Voor het benaderen van
informatie is het niet relevant waar deze zich fysiek bevindt. Meestal heeft de
gebruiker ook geen idee waar een server staat. Enkele jaren terug vertelde een
politieman dat bij een ‘crime scene’ van een moord een computer aanstond en de
Yahoo-mailbox geopend was. Deze politieman mocht de
mails niet openen, hoewel hij op basis van de ‘subject’ en afzenders van de mail
kon zien dat deze mogelijk informatie bevatten die tot een oplossing van het
misdrijf konden leiden.
De opstelling van de politieman is begrijpelijk. Het recht richt zich op
territorialiteit. Binnen landsgrenzen bepaalt de staat
wat er al dan niet mag gebeuren. De samenstellers van het enige verdrag dat er
voor het internet is afgesloten, het zogenaamde Cybercrime-verdrag van de Raad van Europa uit 2001, bleven
het over een belangrijk punt oneens: grensoverschrijdende doorzoeking van
computersystemen.
Het kan ook anders. Uit diezelfde tijd komt de Europese Richtlijn
2000/31/EG inzake de elektronische handel. Hierin is bepaald dat een lidstaat
toezicht houdt op aanbieders van internetdiensten die op haar grondgebied als
burger wonen of als bedrijf gevestigd zijn. Waar de technologie zich bevindt
doet er niet toe. Als iemand een Braziliaanse domeinnaam heeft en gebruikmaakt
van een Koreaanse server, dan is het toch de taak van de Nederlandse overheid de
diensten te controleren van de aanbieder die in Amsterdam woont of zijn bedrijf
daar heeft gevestigd. Als de Nederlandse toezichthouder de informatie van de
Koreaanse server bekijkt, raadpleegt hij een computer die op Koreaans grondgebied staat. Nooit gehoord van een staat die
zich daar druk over maakt.
Het benaderen van computers binnen de opsporing strekt doorgaans verder
dan enkel een website bekijken, maar de grondgedachte zou hetzelfde moeten zijn.
Informatie staat eerst en vooral op internet en pas op de tweede plaats is er
een link met een plek op onze aarde. De soevereiniteit schiet zijn doel voorbij
als deze wordt ingeroepen omdat informatie toevallig fysiek op een bepaalde
computer te vinden is.
Lastiger is het als het gaat om computers die bijvoorbeeld bij mensen
thuis staan. Ook dan lijkt het mij echter dat hier in de eerste plaats gekeken
moet worden naar het feit dat deze computer aangesloten is op het internet: een
wereldwijd, grensoverschrijdend computernetwerk.
Dat landen het zich aantrekken dat vreemde opsporingsautoriteiten op hun
grondgebied computers doorzoeken past niet bij het karakter van het internet.
Het Nederlandse OM moet tegen een in Nederland woonachtige verdachte ook over de
fysieke grenzen heen bewijs kunnen verzamelen. Anders wordt het wegsluizen van
bewijs wel erg gemakkelijk en wordt geen recht gedaan aan de essentie van het
wereldwijde communicatiemedium.
Wat er vervolgens met dat bewijsmateriaal gebeurt, is wel aan het land
dat vervolgt. Als Nederland belastende informatie tegenkomt over een Roemeen,
dan kan Roemenie besluiten niet te vervolgen of Nederland besluiten dat wel te
doen als bijvoorbeeld de Roemeen in Nederland verblijft. Het recht moet echter
pas in beeld komen bij de evaluatie van bewijsmateriaal. Voor die tijd moet het
schenden van territoir als niet relevant terzijde worden
geschoven.